Daar stond ik dan aan het hoofdbureel van de zesde wijk, mijn wijk. Het was een koude nacht in december. Het sneeuwde. Lode vergezelde me, we hadden juist samen onze opleiding afgemaakt om hulpagent te worden. Op dat moment wist ik weinig over hem; wie hij was, wat zijn ouders deden en hoe zijn zus heette. Yvette kwam ik later te weten en ik zal haar en haar prachtig lichaam zeer goed kennen als je begrijpt wat ik bedoel. We stonden voor het hoofdbureel wanneer twee feldgendarmen buitenkwamen. Een van hen brulde in zijn meest cliché Duitse stem dat we moesten meekomen, dus wij mee. Als twee gestrafte kinderen volgden we de twee mannen. Die Duitsers waren hier nog maar zeven maanden en het leek al alsof de stad al jaren van hen was. Iedereen gehoorzaamde en als dat niet gebeurde dan kreeg je een ticket voor een enkeltje Breendonk. We staken de straat over en gingen richting de Kievitwijk, hier hielden we twee straten verder halt bij een huis. Een van de mannen klopte krachtig aan de deur. Hij bleef dit herhalen tot de deur krakend openging. ‘Chaim Lizke?’ brulde een van hen. Dat was de eerste keer dat ik zijn naam hoorde. Ik wist toen nog niet wie hij was en al zeker niet dat Lode hem kende, zou hij verschoten zijn toen hij de naam van een kennis van zijn vader hoorde? Was hij toen ook al aan het denken om Chaim Lizke te helpen onderduiken wanneer het te gevaarlijk werd voor hem op straat? Hij moet al zeker niet gedacht hebben om mij erin te betrekken want dat deed hij pas toen ik al 5 maanden de vrijer van zijn zus was. De twee Duitsers stapten meteen binnen terwijl Lode en ik buiten bleven wachten. Ik dacht dat het gewoon weer een werkweigeraar was die we moesten meenemen, zoals we al talloze keren hadden gedaan en talloze keren nog gingen moeten doen. Daaruit bestond onze job. Zwijgen en luisteren naar hetgeen die Duitsers bevolen. En doen alsof je niets had gezien als je weldegelijk net een jood zag die werd afgetuigd door een of andere SS’er. Zo ging dat vijf jaar door. Binnen hoorden we kabaal in het huis. Kinderen krijste. kasten vielen om. Iemand donderde van de trap. De deur zwaaide open en daar kwam het gezin Lizke gehavend buiten. Chaim Lizke met zijn snikkende vrouw en 5 half aangeklede kinderen. We moesten de Duitsers samen met het gezin Lizke naar de Van Diepenbeekstraat brengen. De vrouw bleef maar wenen onderweg terwijl haar man haar zachtjes moed insprak. De Duiters sloegen de man onderweg, en wij? Wij stonden erbij als gidsen. Het moet gebeurd zijn net toen we de Van Diepenbeekstraat insloegen. Een van de kinderen maakte zich los en snelde ons voorbij. Het duurde nog geen 5 seconden of hij schoof uit door het ijs. De Duitser haalde hem in en gaf hem zo’n harde stamp dat het jongetje als een slee wegschoof en tegen een paal belandde. ‘Aufstehen!’ riepen de Duitsers maar vooraleer een van de Duitsers er naartoe kon stappen snelde Lode hen voorbij en ging op zijn knieën geboogd over het jongetje staan als een cocon. ‘blaas mijn zak op!’ riep hij naar de Duitser die achter hem stond. Al vloekend taste hij naar zijn knuppel en voor dat ik het wist had ik zijn pols vast om hem hiervan te weerhouden. De Duitser keek me aan met een verbijsterd gezicht en liet het zo om nog verdere actie te voeren. Lode droeg de rest van de wandeling het bloedend kind dicht bij zich. We wisten dat we onder onze voeten gingen krijgen en dat niemand op ons bureel nog zou willen samenwerken met ons. We waren ‘tweezakken”: half joodsgezind, half SS’ersgezind en ik moest een keuze maken om te kunnen overleven.
Wilfried Wils
